Cabaret informatie

Wat is eigenlijk cabaret?
Natuurlijk weten we allemaal dat cabaret is om te lachen, en dat cabaretiers en comedians in Nederland volle zalen trekken, maar wat is nou eigenlijk de theorie achter de humor? Daarover lees je hieronder meer!
comedians

HUMOR

Humor is het tegengaan van een gecreëerde verwachting. De meest gebruikte truc is die van de omkering of van het contrast. Die kan zitten in wat je neerzet (typeringen, verhoudingen tussen personages, verhoudingen tussen personage en situatie), een manier van spelen (energie), in taalgebruik of puur als grap. En natuurlijk heb je de omgekeerde mening: je speelt het tegengestelde van wat je kloppend en belangrijk vindt, houdt zo het publiek een spiegel voor en zet het aan het denken. Als je met omkeringen werkt, moet wat je omkeert duidelijk zijn, herkenbaar, dus vaak uitvergrotingen en clichés, anders werkt de grap niet en komt de boodschap niet over.

• Spelmatige omkeringen:
– een personage kan een tegenkant hebben: een dominee die een vies mopje vertelt, een onschuldig iemand doet iets agressiefs, een dom iemand komt onverwacht slim uit de hoek.
– binnen een sketch kunnen twee tegengestelde karakters voorkomen, bijvoorbeeld een optimist en een pessimist, een slimme en een domme, Herman Brood en Majoor Boshart, een baas en een knecht. Het is leuk als er iets verandert binnen de rolverdeling. Als Majoor Boshart haar hoofd stoot en zo hard vloekt dat Herman Brood verbaasd staat te kijken. Als de machtsverhouding omkeert.
– zo’n rolverwisseling kan ook op zich staan in een sketch. Een kakpuber leest hippievader de les omdat hij er altijd zo slordig bijloopt en geen werk heeft. Bekend van van Kooten en de Bie: de intellectuele Turk die boodschappen doet bij de (expres) slecht Nederlands pratende groenteboer. Hans Teeuwen klopt op de schouder kotsende junk: “fiets kopen?”
– het kan leuk zijn twee tegengestelde wereldjes te mixen: een vandalistische meisjesbende praat erg kakkerig, volwassen vrouwen praten als jonge meisjes over verkering en jongens.
– De onverwachte reactie: hoog-mechanisch-laag energieniveau. We verwachten een explosie en krijgen een onderkoelde reactie. We verwachten een kleine reactie en krijgen een explosie. Beide kunnen verlopen via de mechanische reactie. De mechanische reactie: de douanier die een op het strand aangespoelde drenkeling naar z’n paspoort vraagt. Verwant is ook de secundaire reactie: “Ingrid, het draait allemaal maar om één ding.” “O ja.” Ingrid loopt weg, stopt abrupt: “Wat dan?”
– De tegenstelling kan in situatie en gedrag liggen: vrouw zit erg te huilen, man vertelt enthousiast een mop. Bejaarde probeert over te steken bij drukke weg, padvindertje komt er aan en schopt bejaarde omver. Man zit voor z’n rust in de natuur te vissen, komt er een carnavalsoptocht voorbij.
– Het perspectief wisselt: als publiek ga je mee in een scène, blijkt het een droom / film / auditie / gedachteflits / toneelstuk / reclame / visioen / flashback of flash-forward / verhaal / fragment uit een (dag)boek te zijn.
– Het omkeren van algemeen bekend cultuurgoed: bicycle repairman (superman), bijbelverhaal Hans Teeuwen, je wilt het wel, als je maar zou kunnen.
– Ook wat betreft beeld is het goed met tegenstellingen te werken: groot-klein, dik-dun, mooi-lelijk, naar links-naar rechts, snel-langzaam, open-gesloten etc. etc.

• Grapvormen gebaseerd op contrast:
– De omkering/het verkeerde beentje: “Mijn vriendin heeft me bedrogen, ze vertelde vorige week dat ze was vreemdgegaan en dat bleek niet waar te zijn.” “Vorige week naar Schindlers List geweest, goeie film. Want ze hebben het altijd wel over die Joden, maar die Duitsers waren ook geen lieverdjes.
– Het verleggen van het probleem: “West-Duitsland krijgt er straks zestien miljoen Duitsers bij. Het is zeer de vraag of Zandvoort dat ’s zomers wel kan verwerken.”
– Ironie: je zegt het omgekeerde van wat je bedoelt: “Een stoplicht springt op rood, een stoplicht springt op groen, in Almelo is altijd wat te doen.”
– Understatement (vorm van ironie): “Ik heb veertig jaar naakt in een ingestorte mijn gelegen, op water en brood.” “Dat is niet zo leuk.” / “Met Dirk bleef je lachen. Zoals die keer dat hij zijn hoofd op de spoorlijn legde toen er net een trein voorbij raasde.”
– Het omdraaien van de natuurlijke volgorde, waarbij je eerst het minst belangrijke noemt: “Ingrid, ik heb jouw regenjas in het bushokje laten liggen, ik was nogal in de war, ik kwam namelijk net uit het ziekenhuis, vanwege een abortus.” “Wat! Heb jij mijn regenjas in het bushokje laten liggen!!”
– Het verwisselen van oorzaak en gevolg: Een beklaagde die vader en moeder heeft vermoord en verzachtende omstandigheden bepleit omdat hij wees geworden is.
– Het verwisselen van een letterlijke en figuurlijke betekenis: “Ik heb vannacht de bloemetjes buiten gezet. Koud!” / “Hou je van vliegen? Dan rijden we door het moeras.”
– Paradox, een schijnbare tegenstelling: “We vinden werken heerlijk. Zodra we een ogenblikje vrij hebben, werken we.”/ “Ik zou nooit lid willen worden van een club waar ze mij zouden toelaten.”

• Taalkundige tegenstellingen:
– Kruisstelling: “Beter met de pijp de sigaret uit, dan met de sigaret de pijp uit.” / “Denkend aan de dood kan ik niet slapen, niet slapend denk ik aan de dood.”
– Antithese, het naast elkaar plaatsen van tegenstellingen: “Een wonderkind van 60.” / “De zon is licht, het lichaam is bedorven.”
– Oxynoron, het combineren van twee strijdige begrippen: “Elk wezen is zwanger van de dood.” / “Ik was voor sterven in de wieg gelegd.”

• Andere grapvormen:
– Het opblazen van een niet bestaand probleem, een onbelangrijk detail: “Sonja van Veen” waarin Brigitte Kaandorp zich vreselijk opwindt over een huilend meisje met een witte cyclaam dat uit de trein stapt en over de rails wegloopt. Waar naar toe ?! Waarom?!
– Het noemen van niet ter zake doende voorbeelden, namen, plaatsen, tijdstippen, details, beschrijvingen van personen, ruimtes, situaties en gemoedstoestanden.
– Overdrijving: (over rijkdom) “Ik draag een bril, maar mijn buurvrouw heeft de hele voorruit van haar auto min drie laten slijpen. Zo rijk! Ze heeft trouwens twee auto’s, één voor veraf en één voor dichtbij.”
– Het relativeren van een serieus probleem (waardoor de eigenlijke boodschap juist duidelijk wordt): “Als ik nu zou studeren zou ik biologie nemen. De enige studie waarvan de lesstof wekelijks vermindert door uitroeiing, uitdroging en milieuverontreiniging. Nog drie jaar en dan haalt een biologiestudent z’n bul met een scriptie van twee bladzijden.”
– Cynisme: “De enige vonken die in mijn huwelijk oversprongen waren die tussen de aluminium deurkrukken en de nylon vloerbedekking.”
– Het installeren en doorbreken van een verwachting: “Noren eten veel vis. Wordt die gedroogd op klippen dan heet het klipvis, wordt die gedroogd op stokken dan heet het kabeljauw.”
– De secundaire reactie: “Ingrid, het draait allemaal maar om één ding.” “O ja.” Ingrid loopt weg, stopt abrupt: “Wat dan?”
– Het misverstand: Dokter: “Rookt u ook na de geslachtsgemeenschap?” Vrouw: “Dat weet ik niet. Daar kijk ik niet naar, zo lenig ben ik niet.”
– Het uit verband trekken van uitspraken van de partner of het verkeerd uitvoeren van opdrachten van de partner: André van Duin en Frans van Dusschoten.
– Het gebruiken van taalclichés, turbotaal, vakjargon, dialecten, spreekwoorden, gezegden: Wat is die Paul een Arnie, spoort gewoon niet, megatriest zo’n vesuviuskop, wat een sippe gozer, niet te filmen.
– Woorddefinitie: “Een verwachtingspatroon is een patroon voor een positiejurk.” / “Een akoestische zaal is een zaal waar koestisch niks van klopt.” / “Occasion, het Franse woord voor teleurstelling.”
– Verwijzen naar trends en actualiteit: “Wat is een gewone man? Nou in ieder geval bedoel ik zo’n Hollandse eikel, zo’n lul, zo’n Bucklerdrinker, zo’n type die je d’r van verdenkt dat hij z’n eigen caravan trekt.”
– De parodie op bestaande teksten, programma’s, liedjes. Op ons ieder bekend cultuurgoed: Zoals Kniertje dat zei hè: “De vis wordt slecht gesubsidieerd.”
– Spotten met bekende Nederlanders/Belgen: “Wist je dat als je een pitbull het juiste commando geeft, hij in zeven seconden Tineke de Nooij tot op het bot kan afkluiven.”
– Het spotten met collega’s: er wordt nogal vaak tegen mij gezegd: “Waarom wil je nou met alle geweld zo leuk zijn? Seth Gaaikema doet dat toch ook niet?”
– Het spotten met het publiek: “Ik sta al zoveel jaar op het toneel, maar ik begrijp van het publiek ook niks hoor. Neem nou mensen die kuchen. Die gaan nooit naar een dokter, nee die komen altijd hier zitten.”
– Reageren op reacties uit het publiek: (bij boegeroep) “U wordt zo gemolken.”
– Het spotten met de partner: “Minou, hoeveel weeg jij?” “Zeventig kilo.” “En met je hoofd erbij?”
– Zelfspot: “Seks voor de wedstrijd. Ik vind het prima. Maar ja, vind maar eens iemand.”
– Logica: Degene die de slogan heeft uitgevonden “Snoep verstandig eet een appel” lijkt me niet erg bijbelvast geweest.
– Onlogica: “Je moet je kop houden als je tegen me spreekt.”
– Eigen logica: “Ik ben niet getrouwd, want mijn schoonouders konden geen kinderen krijgen.”
– Absurdisme: “Op de weg naar Amersfoort lag een hand. Ik heb hem gedrukt.”
– Dommigheid: “Ik ben maar gestopt met de pil. Hij viel er telkens uit.”
– Mopjes: Een mevrouw vroeg na de biecht aan de pastoor: “Ik zou zo graag iets heel groots en zuivers willen doen.” Zegt de pastoor: “Mevrouw, wast u een keer een olifant.”
– Raadsels: “Waarom heeft een Lada achterruitverwarming? Heb je lekker warme handen bij het duwen.”
– Vergelijking: “Meditatie is net zoiets als de neutronenbom. De persoon die mediteert blijft overeind maar zijn omgeving gaat er aan kapot.”
– De analogie: “Ik ben gestopt met neuken. Al drie maanden.” (roken) / “Ik heb drie abortussen gehad, twee jongens en een meisje.” “Leuk, van alles wat.” (bevalling).
– De terzijde naar het publiek: Commentaar geven op wat je staat te doen, informatie geven over de partner, een onderonsje hebben met het publiek: “Minou lijkt op Barbamama. Alleen kan Barbamama alles en Minou niks.”
– Een grap eerst maken dan pas richten: “Dan vraag je het toch aan een klein dik stinkend miezerig mannetje met een laag IQ (naar man in publiek) Meneer zou u…”
– Politieke grapjes: (over stemmen) “Het potlood is rood maar het zit wél aan een touwtje.”
(Voorbeelden uit “Ik ben mij er eentje” en “U wordt zo gemolken”, verzamelde conferences door Kick van der Veer en uit programma’s van de Bloeiende Maagden.)

Cabaret informatie
5 (100%) 2 votes